Arbeid

Amsab-ISG bestudeert de opkomst en bloei van de arbeidersbeweging in België vanaf de 19e eeuw, zowel de vakbeweging als de politieke partijen, economische structuren en culturele groeperingen. Lees hier een aantal bijdragen over aspecten van arbeids- en arbeid(st)ersgeschiedenis.

Op 3 september 1921, 105 jaar geleden, begon in Anderlecht het tweedaagse stichtingscongres van de Communistische Partij van België (CPB). De partij bleef aanvankelijk klein, maar groeide tijdens het interbellum en tijdens de Tweede Wereldoorlog uit tot een politieke factor van betekenis. Daarna duwde de Koude Oorlog de CPB opnieuw in het isolement en zette een electorale neergang in.

Affiche van de Kommunistische Partij voor de parlementsverkiezingen van 1929

Het congres in 1921 vond plaats op verzoek van de Communistische of Derde Internationale (Komintern). De bedoeling was om de militanten links van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in één partij samen te brengen.

Die militanten behoorden grosso modo tot twee groepen. Aan de ene kant was er de groep rond War Van Overstraeten, die bestond uit (gewezen) leden van de Socialistische Jonge Wacht (SJW) en al langer deel uitmaakte van de Komintern. Aan de andere kant stond de groep rond Joseph Jacquemotte. Hij was secretaris van de socialistische vakcentrale van de bedienden en leidde al geruime tijd een linkse minderheid binnen de BWP. Die groep noemde zich Les Amis de l’Exploité, naar Jacquemottes oppositieblad L’Exploité.

Het fusiecongres werd op 4 september 1921 afgerond en mondde uit in de oprichting van de CPB. Wat later fuseerden ook L’Exploité en L’Ouvrier Communiste, het blad van Van Overstraeten. Zo zag Le Drapeau Rouge (De Roode Vaan) het levenslicht. Jacquemotte werd directeur van Le Drapeau Rouge, Van Overstraeten de eerste partijsecretaris. Uit die benoeming bleek het wantrouwen van de Komintern tegenover de oppositie binnen de BWP, waartoe de groep-Jacquemotte behoorde. Dat wantrouwen bleek onterecht, want na 1925 groeide net Van Overstraeten uit tot de leider van de trotskistische oppositie binnen de CPB.

Aanvankelijk was de CPB weinig meer dan een luis in de pels van de socialistische BWP. Bij de parlementsverkiezingen van 1925 en 1929 behaalde de partij nooit meer dan 3 procent van de stemmen. In 1925 werden Jacquemotte en Van Overstraeten verkozen tot volksvertegenwoordiger. In 1929 behield alleen Jacquemotte zijn zetel.

Op syndicaal vlak vormden de communisten een grotere bedreiging voor de Syndikale Kommissie (SK) van de BWP, sinds 1898 het socialistische vakverbond en de voorloper van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV). Door de motie-Mertens mochten communisten vanaf 1924 echter geen leidende functies meer uitoefenen binnen de vakbonden van de SK. Daardoor werden veel communisten uit de socialistische vakbonden gezet.

De crisis van de jaren 1930 bood de CPB nieuwe kansen. Na de algemene staking van 1932 in de Waalse industriecentra, en vooral na die van 1936, breidde de partij haar aanhang onder de arbeidersbevolking fors uit. Ze behaalde 6,25 procent van de stemmen in 1936 en 5,36 procent in 1939, telkens goed voor negen volksvertegenwoordigers.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog belandde de CPB in een politiek niemandsland nadat Hitler en Stalin in 1939 een niet-aanvalspact hadden gesloten. Voor de partij betekende de Duitse inval in de Sovjet-Unie dan ook een politieke ommekeer. Vanaf 22 juni 1941 kon de CPB zich voluit in het verzet engageren. Ze werd de drijvende kracht achter het Onafhankelijkheidsfront (OF), een van de belangrijkste verzetsorganisaties van het land.

Kort na de Tweede Wereldoorlog legde haar verzetsaureool de partij geen windeieren. De CPB bereikte bij de verkiezingen van 1946 haar electorale hoogtepunt: 12,7 procent van de stemmen en 23 zetels in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De Belgische Socialistische Partij (BSP) behaalde 69 zetels. Nadat Paul-Henri Spaak (BSP) in maart 1946 vergeefs had geprobeerd een socialistische minderheidsregering op de been te brengen, vormden beide partijen tot maart 1947 twee broze coalities met de liberalen. Die werden geleid door de socialisten Achiel Van Acker en Camille Huysmans. De CPB en de BSP hadden sinds de Bevrijding al samen deel uitgemaakt van regeringen van nationale eenheid.

Daarna duwde de Koude Oorlog de CPB opnieuw in het isolement en zette een electorale neergang in. In 1958 viel de partij terug tot twee zetels in de Kamer. De communistische agitatie tijdens de staking tegen de Eenheidswet van 1960-1961 zorgde nog even voor een heropleving, maar die was van korte duur. Van de jaren 1960 tot de jaren 1980 bleef de partij een marginaal fenomeen. In 1985 verdwenen de laatste communisten uit de Kamer. Ook na haar federalisering kwam de CPB de neergang van het internationale communisme, die volgde op de val van de Berlijnse Muur in 1989, nooit meer te boven.

Literatuur: 

J. Gotovitch, Histoire du Parti Communiste de Belgique, in Courrier Hebdomadaire du CRISP, 1997, n° 1582, 36p.